Aad Veelenturf is Borftenaar in hart en nieren. Een mooier dorp bestaat er niet voor hem. Bodegraven en kaas, het stroomt hem door de aderen. Opa Janus was al een kazende boer evenals zijn vader en zodoende is Aad er mee opgegroeid. De boerderij waar Aad werd geboren stond naast de plek waar de markt destijds gehouden werd.
Voorheen kwamen de handelaren in vee en kaas bij de boeren op ’t erf om zaken te doen. Het aloude handjeklap om tot de prijs te komen. Kaashandelaar Hendrik Goebel, is een van de drijvende krachten achter de oprichting van de markt in 1882. Hij deed dat in samenwerking met de gemeente Bodegraven. De markt werd gehouden bij de Dorpskerk aan het Kerkplein. Al snel groeide deze uit zijn jasje. “Dat leidde tot de aankoop van het land van onze boerderij, verteld Aad. In 1925 werd de markt, op de plek van het huidige winkelcentrum geopend.” Aad haalt een zwartwit foto uit een enveloppe. “Die met die witte baart, dat is opa Baas. De eerst rij, daar stonden de hokken met varkens van de firma Baas. Die rij daarna, daar stonden de hokken met varkens van die van Domburg en daarachter de firma Sterk. Net naar het seizoen stonden er ook kalveren en schapen. De laatste rij was voor de komende en gaande handelaar. En daarachter stonden dan de kaasbrikken. In het seizoen zo’n vier- tot vijfhonderd. Wat uitgroeide tot wel 700 stuks. Een onafzienbare rij van kaasbrikken.” Filerijden van paard en wagens vanuit alle dorpen uit de wijde omgeving. Dat maakte dat de gemeente de tot dan toe onverharde uitvalswegen liet opknappen en asfalteren.
De paarden werden gestald bij Piet Vink, die runde het Bonte Varken. Bij de gezusters Vink konden ze ook gestald worden, zij runden het Wagenwiel. En op de Hoeck werden er ook paarden gestald.
Als de kaas verkocht was, dan werden de kaasbrikken met de hand naar de kaaspakhuizen geduwd. “Meestal door werklozen en in de vakantie door kwajongens als ik, vult Aad grijzend aan. Daar verdienden we toch twee of drie centen mee. De boer liep dan voorop tussen de bomen, ja ja de plek van het paard. En de rest duwde achter de kar. De brikken waren goed gesmeerd, waardoor het, ondanks het gewicht niet echt zwaar was.”
Voor de kaas van eigenaar wisselde liet de boer de kaas wegen. Bij hotel van Haaften was een neutrale waag. Die werd gebruikt wanneer de kaas verkocht was aan een handelaar zonder waag. Maar ook als de boer de waag van de inkopende partij niet vertrouwde. “In die tijd had je nog geen ijkplicht,” verduidelijkt Aad. “En er waren er die daar zeg maar gebruik van maakten.”
Een groot deel van de kaaspakhuizen stond aan de Rijn. Daar werd de kaas gerijpt en vervolgens verscheept naar de havens van Rotterdam. Met plaatselijke scheep vervoerders als Hortensius, Van Aalst en Steenbergen. Eenmaal in Rotterdam werd de kaas ingescheept om zijn weg over de hele wereld te vervolgen.
De kaasmarkt was de bakermat van dat wat Bodegraven nu is geworden een dorp waar heel wat kazen in alle rust op de kaasplanken liggen te rijpen. Tot ze op leeftijd zijn om geconsumeerd te worden.