Driebruggen: Vijf spijkers per vel…
Aan de Lange Ruige Weide woonde een gezin met drie kinderen. Willem werd net voor de Tweede Wereldoorlog geboren. Als kind van een veehandelaar neemt Willem ons mee in een wereld van een beroep wat als zodanig niet meer bestaat. “Mijn vader was koopman van hoofdzakelijk schapen en nuchtere kalveren. Van begin maart tot eind april kalfden de koeien. In het holst van de nacht ging mijn vader op pad. Stond je eenmaal op het erf van de boer waar de kalveren geboren konden worden, mocht je als eerste bieden. Kuisjes werden niet van de hand gedaan maar stieren wel. Met de poten vastgebonden werden ze op de kalverknors gelegd.” Willem diept een verfrommeld fotootje op uit zijn portemonnee waarop zijn vader op een ingespannen knorsekar voor de doorrijschuur staat.
Een kar met twee grote wielen en een zitbank die door middel van pinnen te verstellen was. “Om ’t evenwicht te houden”. Zo werden de nuchtere kalveren naar de abattoirs van Bodegraven (Baas en Domburg) Woerden (de Zeeuw) of Oudewater vervoerd. In zo’n doorrijschuur kon je de kar naar binnenrijden. Het paard vastbinden en zo laten staan om vervolgens binnendoor naar het huis te lopen. Langs die schuur lag eerst een tramlijn van Papekop naar Oudewater. Mijn grootvader reed die tram die werd getrokken door zijn paard.
“We hadden niet zoveel in die tijd. Ik weet nog dat ik een kast kreeg van mijn moeder. Een sinaasappelkistje met behang beplakt en daar had ze een gordijntje voor gemaakt. We sliepen met zijn drieën op de verder kale zolder. Van mijn eerste step was het plankje af en stond ik met mijn voet zo half op die ijzers. Ging natuurlijk mis en met mijn bebloede voet ging ik naar dokter Blijman. Die voelde of er iets gebroken was, een dot jodium erop en ’t was weer klaar.
Van de oorlog heb ik alleen goede herinneringen. De Duitsers zaten bij de buurman ingekwartierd. Die mannen waren niet alleen soldaten maar ook vaders van kinderen. Regelmatig kregen we een snoepje en ik weet nog dat één van hen, een Oostenrijker, stond te huilen bij ’t wiegje toen mijn broertje was geboren. Toen ze in Gouda moesten gaan vechten gooiden ze een zak met haver en bieten voor ons paard af.
In de wintertijd ging ik samen met mijn moeder om zeven uur de kachels aanmaken van de school. De kolen schepte je uit het kolenhok dat achter de school stond. Op vrijdag maakten we de school schoon. Half april werden de kachels weer uit de school gehaald en werden ze nagekeken om in oktober weer teruggezet te worden. Ik zat op de School met de Bijbel. Hoogeind en Laageind vochten altijd met elkaar. Niet op leven en dood maar gewoon kwajongens vechten. De klompen dreven dikwijls midden in de wetering. Kwam de meester eraan was het gelijk over. Mijn eerste fiets kreeg ik toen ik een jaar of twaalf was. Het was de fiets van de vader van onze buurman. Met nog zo’n stepje bij het achterwiel waar je op moest gaan staan om zo op de fiets te springen.
Toen hadden we nog ontzag. Zag je de politieman of een dominee aankomen sprong je bijna in de houding. Niet dat we van die heilige boontjes waren, echt niet. ’t Is voorbij die tijd. Jammer verzucht Willem, dat komt door de weelde, we liggen nergens meer wakker van. Als vijftien jarige moest ik met twee paarden het land in om te maaien. Overal molshopen en telkens liep de maaibalk vast. De paarden werden zo onwillig als ik weet niet wat. Huilend ging ik terug naar huis.
Als er iemand begraven werd droegen de buren de kist. De hele buurt deed uit eerbied de gordijnen dicht. Meestal ging de stoet lopend naar Waarder waar de kerk en de begraafplaats was. Weinigen konden paard en wagen voor die gelegenheid betalen.
Na school ben ik mijn vader in de handel gaan helpen. Handjeklap; vraag en aanbod. Hij vraagt, jij biedt en de koop werd met ‘geluk’ beklonken.
Schooljongens brachten de mollen (die gevangen waren in de mollenklemmen) bij ons. In het klompenhok hadden we een rand waar ze de mollen oplegden. Soms lag de hele rand vol. Ik vilde de mollen en spande de vellen, vijf spijkers per vel. Op de markt in Gouda brachten ze soms wel elf stuivers op. Een mol heeft een mooi zwart vachtje, zonder vleug, daarmee kunnen ze voor en achteruit in de mollengangen lopen. Er werden hoeden of moffen (een kledingstuk om je handen warm te houden) van gemaakt.
De staarten van koeien werden in de stal opgebonden, zodat de boer er geen last van had tijdens het melken. Van die pluimen werden kwasten gemaakt. Teun de Jong was de vellenman van Bodegraven. Er werd bijna niets weggegooid in die tijd. Van de pluimen van varkensstaarten (die uit het abattoir kwamen) werden scheerkwasten gemaakt. Vooral zoggen hadden een grote pluim. Bij Teun de Jong schoor ik de wol van schapenvellen. Gezouten vellen, gedroogde vellen maar soms ook van half verrotte vellen schoor ik de wol af. Er moest geld binnen komen. Ik slachtte ook wel nuchtere kalveren bij de boer. Dat deed je gewoon. De tijd was anders toen, we waren tevreden met niets. Er volgen een aantal kwajongensstreken, die helaas niet op papier mogen. “Nee, wat heb je eran?”
Zijn Annie leerde hij kennen omdat haar ouders regelmatig bij zijn ouders op bezoek kwamen. “Het is aangeraakt en dat is altijd zo gebleven. Ik heb zo’n tien maanden in dienst gezeten daar heb ik mijn vrachtwagenrijbewijs gehaald. Eens in de veertien dagen ging je naar huis. Ik geloof dat ik haar in al die maanden één keer een brief geschreven heb. Maar ik bezocht haar natuurlijk wel in de weekenden dat ik thuis was. Tien uur thuis ’s avonds, dan had ik nog net twee uur om te slapen. Om twaalf uur ging ik samen met mijn vader de boer op voor de nuchtere kalven. Na ons trouwen werd ik chauffeur op het buitenland voor Domburg vlees Bodegraven. In vier dagen reed ik naar Nice. Je moet weten dat er nog niet overal snelwegen waren. We kwamen leeg terug, dat was toen nog zo.”
De liefde voor de paarden is altijd gebleven. Een fotoboek met prachtige platen waar Wim de koetsier op de bok is. Trouwerijen, begrafenissen, Sinterklaas maar ook de kaaskoningin van Bodegraven. “In Bodegraven gingen die paarden eens aan de kletter met de kaaskoningin. Daarna mocht ik met het gezelschap van kaaskoningin en hofdames rijden. Een koetsier brengt zijn zenuwen via de teugels over. Het zijn kleine dingen waar ze ineens van kunnen schrikken. Een papiertje op de weg, een openklappende paraplu. Waarom ze bij mij niet op hol slaan? Praten met ze én bedacht zijn op al die onverwachte dingen. Als ze eenmaal gaan ben je te laat. Daarom laat Sinterklaas als hij in Driebruggen komt zich graag door mij rijden. Al meer dan 25 jaar. Eerst met Friso voor de koets en nu al weer jaren met Job (Job heeft inmiddels de respectabele leeftijd van 20 jaar) We zien de Sint vanuit de keuken al over de Wiericke aankomen. Sinterklaas vraagt elk jaar of ik hem het volgende jaar weer wil rijden.